Een kamerthermostaat schakelt de verwarming in en uit wanneer nodig. Hij bepaalt dit door de luchttemperatuur te meten, en
zal dus de verwarming inschakelen zodra de temperatuur lager is dan de ingestelde temperatuur en weer uitschakelen wanneer
de ingestelde temperatuur wordt bereikt.
Een kamer raakt niet sneller opgewarmd door op de thermostaat een wat hogere temperatuur in te stellen. Hoe snel de kamer
opwarmt hangt af van de eigenschappen van het verwarmingssysteem, bijvoorbeeld de capaciteit van de boiler en radiatoren.
De ingestelde temperatuur heeft evenmin invloed op de snelheid waarmee de kamer afkoelt. Als de kamerthermostaat op een l
agere temperatuur wordt afgestemd, wordt in de kamer een lagere temperatuur aangehouden, waardoor u energie spaart.
Het verwarmingssysteem werkt niet als dat is uitgeschakeld door een tijdschakelaar of programma.
De beste manier om uw kamerthermostaat in gebruik te nemen bestaat erin de laagste temperatuurinstelling te vinden waarbij
u zich comfortabel voelt en vervolgens de rest aan de thermostaat over te laten. Daarvoor stemt u de kamerthermostaat af op
een lage temperatuur - zeg 18°C - en zet u hem elke dag een graadje hoger totdat u zich goed voelt bij de temperatuur.
Daarna hoeft u de thermostaat niet meer bij te stellen. Een hogere temperatuurinstelling zou u alleen maar meer energieverbruik
en dus meer geld kosten.
Bij een verwarmingssysteem dat uit een boiler met radiatoren bestaat, zit meestal maar één kamerthermostaat die instaat voor
de temperatuur in het hele huis. Toch kunt u elke kamer een bepaalde temperatuur meegeven door op individuele radiatoren
thermostatische kranen te plaatsen. Zonder die thermostatische kranen moet u een temperatuur kiezen die voor het hele huis
goed zit. Als u daarentegen wel over thermostatische kranen beschikt, kunt u de thermostaat op een enigszins hogere
temperatuur instellen zodat zelfs de koudste kamer comfortabel aanvoelt, en er vervolgens voor zorgen dat het in de andere
kamers niet te warm wordt door de thermostatische kranen bij te stellen.
Om de temperatuur te kunnen meten, moet de lucht in de kamer ongehinderd over de thermostaat kunnen stromen en mag
de kamerthermostaat dus niet worden afgeschermd door gordijnen of meubelen. De nabijheid van een elektrisch
verwarmingsapparaat, televisietoestel, wand- of staande lamp kan een nadelig effect hebben op de werking van de
thermostaat.